"De hond moet gaan"

We arriveerden aan de boerderij, aan de rand van het land. Een boerderij waar de tijd bleef stilstaan. Er liepen kippen over het erf, een Sint-Bernaard maakte zijn baasjes kenbaar dat we gearriveerd waren. Hier zou Dennis (onze hond) goed kunnen aarden. Dit zou zijn nieuwe thuis kunnen worden. Ik beeldde me in dat hij hier zou rondlopen, de kippen zou najagen, schouder aan schouder met zijn toekomstige Sint-Bernard broer (het ras van zijn papa). Het beeld was voor mijn neus zichtbaar. En tegelijk kon ik het me niet voorstellen dat we onze hond zouden weggeven. Dat we onze hond, die we tot dan toe grootbrachten, zouden aan de kant schuiven. Het idee alleen was snijdend.




Maar toen, de enige uitweg.


De hond deed niks verkeerd. De hond kwam er gewoon op een vreselijk slecht moment. Sam was 11 maanden, Guust zal al 3 maanden in mijn buik te rijpen. We groeiden beiden op met honden. We wisten dan ook al snel dat we ooit ook eentje in ons gezin zouden verwelkomen. Ooit, over enkele jaren. Vooral niet op dat moment. En toch, kozen we ervoor hem te ontvangen op dat moment.


Je kent het wel ‘gaan kijken naar een puppy is thuiskomen met een puppy’. Via een collega die zelf ook een Dennis heeft, wisten we van een nieuw nest. Een nest dat ongepland was, en in de toekomst ook niet snel zou terug komen. We dachten… laten we even gaan kijken. We stapten buiten met een gekozen pup in ons hoofd. Even ongepland. Enkele weken later gingen we hem ophalen en begon… voor mij, toen, de miserie.


Het stapelde op. De zorg voor Sam, mijn buik die groeide en Dennis zijn zindelijkheid die niet beter werd. Onze meubels werden beknaagd, de pas geverfde muren – die ik ’s avonds als Sam per uitzondering goed gingen slapen, in alle snelheid verfde, de vermoeidheid verbijtend - meteen vuil geveegd.

Toen Guust geboren werd en Dennis nog steeds niet zindelijk was, pruttelde ik verder in reserve. En hoewel Floris alle verantwoordelijkheid nam en Dennis de best zorg gaf, kon ik me er niet aan overgeven.

Ik kon Dennis niet graag zien. Ik zag de last, de vermoeidheid, het extra werk. Het leven met een hond was niets zoals ik het gekend had.

Na maanden verdragen, in reserve draaien, sprak ik het uit “de hond moet gaan”. Ik dacht het al meerdere keren, en zei het voor het eerst toen we hem 1 jaar hadden. Na weken tobben, op mijn lip bijten en de gedachten proberen te blokkeren, sprak ik het uit. Toen ik de woorden zelf hoorde, kon ik het niet horen. Ik kon niet geloven dat ik zoiets over mijn lippen kreeg. En tegelijk was ik zo opgelucht dat ik het eindelijk durfde zeggen. Dat ik eindelijk durfde toegeven dat het me te veel was.


Floris slikte.


We discussieerde, we maakte ruzie. En we besloten samen: “de hond moet gaan.”


Vanaf dat moment, vanaf het moment dat Floris akkoord ging, viel er een rust over mij. En dat vertelde me, het ging niet over Dennis. Dennis was een betekenisdrager.


Wanneer we de nood hebben iets te communiceren naar onze partner. Wanneer we een belangrijke boodschap - die kwetsbaar is, die lastig is, of die we zelf nog niet goed kunnen vatten - willen overbrengen naar onze partner, dan worden we voorzichtig. We wikken en wegen, we wachten tot het juiste moment. De tijd verstrijkt. De zenuwachtigheid en spanning loopt op. Wanneer we het dan toch durven aankaarten, gebeurt het vaak dat die spanning opgehoopt werd in frustratie, boosheid met als voedingsbodem een machteloosheid. We geven woorden vanuit die frustratie, omdat het zo moeilijk is een boodschap over te brengen vanuit machteloosheid. Het is onverdraaglijk je machteloos te voelen, dus pakken we het in. En gebruiken we woorden die makkelijker zijn, die aan de oppervlakte liggen.


Hiermee maken we het onze partner moeilijk, want hij/zij kan bijna onmogelijk tegemoetkomen aan het onderliggende gevoel. Omdat we de boodschap verstoppen in een betekenisdrager.

Ik verstopte mijn gevoel van gefaald te zijn, mijn machteloosheid in een frustratie naar Dennis. Iets dat zichtbaar was, dat 'schuldig te bevinden' was. Maar de ondertitels van mijn machteloosheid 'ik kan het niet meer, ik heb u nodig' schreeuwde luid. Die kon ik niet vertellen. Dat was te kwetsbaar, te pijnlijk. Nog pijnlijker dan te zeggen 'de hond moet gaan'.


Vaak zijn dit de ondertitels die we willen dat onze partner ziet, zonder dat we ze geven. Vaak gaat een frustratie of een boosheid onderliggend over "ben je er nog voor mij? Ben ik nog belangrijk genoeg?". We verstoppen dit in een betekenisdrager om zo'n kwetsbare vragen niet te moeten uitspreken. Het ging niet over Dennis.


De rust die ik voelde toen Floris ook zei “dan zal de hond gaan”, was onbeschrijfelijk en toen onbegrijpelijk. Dennis was niet weg, en toch voelde ik me niet meer machteloos en moedeloos. Ik voelde me gehoord in de belangrijkste boodschap “bent ge er voor mij? Ik heb u nodig”. Toen hij antwoorde “dan zal de hond gaan” vertelde hij me tegelijkertijd “ik ben er voor u, we doen wat we moeten doen, wat nodig is voor u om u terug beter te voelen”. Hoewel hij dat niet zei, beantwoordde hij mijn onderliggend kwetsbare vraag.


Mijn woorden “De hond moet gaan”. Waren een bewoording van mijn machteloosheid, mijn radeloosheid. Wat ik eigenlijk wilde zeggen was: “Floris, het is me te veel. Ik ben op. Ik kan het niet meer.” Ik richtte me op Dennis. Hij was mijn spreekbuis, de drager van deze onderliggende betekenis. De veilige manier om iets veel dieper te vertellen dat ik toen, niet onder woorden kon brengen op een andere manier.


Mijn woorden “De hond moet gaan”, vertelde dat ik Floris nodig had. Zonder het te zeggen. Het vertelde dat ik steun nodig had, dat ik hem dichter nodig had. Maar dat vertellen was zo moeilijk. Ik voelde me zo klein en falen dat ik het niet over mijn lippen kreeg. Om Floris te bereiken moest ik iets straf zeggen. Zodat hij zeker zou luisteren. Zodat zijn oren gespitst zouden worden en hij niet anders kon dan stilstaan.


Mijn woorden “De hond moet gaan”, was het bewoorden van mijn grens. De extreme woorden weerspiegelde een extreem gevoel van uitputting.


Nu, 3 jaar later, weet ik nog meer dat we soms andere woorden gebruiken voor wat we eigenlijk willen zeggen. Hoe goed we elkaar ook kennen, hoe lang we ook al samen zijn, hoe vertrouwd elkaars huid voelt, woorden klinken,.. het uiten van ons binnenste blijft rauw en kwetsbaar.


We hebben Dennis nog steeds.


Ik ben dolgelukkig dat we hem dichtbij hielden, dat we hem niet lieten gaan. De kippen zouden het niet overleefd hebben, want daar kwam hij na ons bezoek aan de boerderij meteen mee aangelopen in zijn muil.

Hij is onmisbaar, voor de kinderen, voor Floris en voor mij. Mijn liefde voor hem kon vanaf toen, vanaf het moment dat ik uitsprak dat hij moest gaan, groeien. Samen met de liefde voor mezelf, als uitgeputte mama, partner en vrouw.


&


Bedankt Dennis




338 keer bekeken1 reactie